De haarwortels op je kruin en bij je slapen hebben meer androgeenreceptoren en meer van het enzym 5-alfa-reductase dan de wortels op je achterhoofd. Daardoor reageren ze sterker op DHT (dihydrotestosteron) en worden ze kleiner. De wortels op het achterhoofd blijven ongevoelig, ook als het hormoon overal in je lichaam hetzelfde is. Dat verschil is erfelijk.
Je wordt kaal op je kruin en bij je slapen omdat de haarwortels daar gevoeliger zijn voor DHT (dihydrotestosteron) dan de wortels op je achterhoofd. Ze hebben meer androgeenreceptoren, de “ontvangers” van het hormoon, en meer van het enzym dat DHT ter plekke aanmaakt. Het hormoon zelf is overal in je lichaam even aanwezig. Het verschil zit in de wortel, en dat verschil is erfelijk.
Wat is het verschil tussen een haarwortel voorop en een haarwortel achterop?
Een haarwortel voorop het hoofd bevat meer androgeenreceptoren en meer 5-alfa-reductase dan een haarwortel op het achterhoofd. Dat is in 1997 gemeten door de onderzoekers Sawaya en Price. Zij namen bij 12 mannen en 12 vrouwen van 18 tot 33 jaar met erfelijke haaruitval (androgenetische alopecia) kleine stukjes hoofdhuid af, voorop en achterop, en vergeleken de haarwortels.
De uitkomst, in hun eigen samenvatting: zowel mannen als vrouwen hebben “hogere niveaus van receptoren en 5-alfa-reductase type I en II in frontale haarzakjes dan in occipitale haarzakjes”. Frontaal is voorop, occipitaal is het achterhoofd. Op het achterhoofd vonden ze juist meer aromatase, een enzym dat testosteron omzet in een ander hormoon en zo minder grondstof voor DHT overlaat.
De gevoelige stof zit vooral in de buitenste wortelschede, het laagje cellen rond de haar in de huid. Wat daar gebeurt, bepaalt of de haar elke cyclus even dik terugkomt of een maatje kleiner.
Waarom maakt DHT de ene wortel kleiner en de andere niet?
DHT maakt een wortel alleen kleiner als die wortel genoeg receptoren heeft om het hormoon op te vangen. Het hormoon is overal: het komt via het bloed bij elke haarwortel op je hoofd. Maar een wortel zonder veel receptoren merkt daar weinig van. Een wortel met veel receptoren krijgt het signaal om zijn groeifase te verkorten en kleiner te worden.
Dat kleiner worden heet miniaturisatie. Volgens de dermatoloog Whiting (2001) gaat dat niet geleidelijk maar in grote stappen, en kan het in een levende wortel binnen één haarcyclus ook weer de andere kant op. De haar wordt eerst dunner en korter, daarna een donshaartje, en uiteindelijk stopt de wortel. De NHG-Behandelrichtlijn Alopecia beschrijft het eindbeeld als “vellushaar, meestal geen zichtbare haarfollikels in kale gebieden”. Hoe dat proces precies verloopt, staat in Wat is miniaturisatie van het haar?.
Op het achterhoofd gebeurt dit niet, omdat de wortels daar het signaal nauwelijks ontvangen. Ze blijven dikke haren maken, ook bij mannen van 70 met een verder kaal hoofd.
Waarom is de gevoeligheid per plek erfelijk?
De verdeling van gevoelige en ongevoelige wortels over je hoofd ligt vast in je genen. Het gen voor de androgeenreceptor is daarbij de belangrijkste factor. Een Duitse onderzoeksgroep (Hillmer en collega’s, 2005) noemde variatie in dat gen “de kardinale voorwaarde” voor erfelijke haaruitval die vroeg begint. Dat gen ligt op het X-chromosoom, dat een man van zijn moeder krijgt.
Dat verklaart waarom broers vaak op dezelfde plekken kaal worden, en waarom het patroon van vader of opa een aanwijzing is. Het verklaart niet alles: er zijn inmiddels honderden genvarianten gevonden die meedoen, ook via de vader. Meer daarover in Is kaalheid erfelijk?.
De kern: een man met erfelijke haaruitval heeft niet te veel hormoon, hij heeft wortels die er anders op reageren. Hoe DHT precies uit testosteron ontstaat, lees je in DHT en haaruitval uitgelegd.
Waar begint het bij de meeste mannen?
Bij de meeste mannen begint het bij de slapen, op de kruin, of op allebei. De Amerikaanse arts Norwood legde dat in 1975 vast door 1.000 mannen te onderzoeken. Zijn indeling, de Norwood-schaal, is nog steeds de standaard. Grofweg beschrijft hij drie verlopen:
| Zone | Gevoeligheid van de wortels | Wat je ziet |
|---|---|---|
| Slapen (inhammen) | Hoog | De haarlijn trekt terug in een M-vorm; vaak de eerste plek die opvalt |
| Voorhoofd, midden | Hoog | De haarlijn als geheel schuift naar achteren; bij een deel van de mannen begint het hier (Norwood type A) |
| Kruin | Hoog | Een ronde plek die dunner wordt, vaak pas zichtbaar op een foto van achteren |
| Bovenkant tussen kruin en voorhoofd | Hoog | In latere stadia groeien de kale plekken voorop en achterop naar elkaar toe |
| Zijkanten boven de oren | Laag | Blijft staan |
| Achterhoofd | Laag | Blijft staan; de hoefijzervorm in de verste stadia |
Welke zone bij jou het eerst aan de beurt is, hangt af van de verdeling van receptoren die je hebt meegekregen. Daarom lijkt het patroon vaak op dat van een familielid, maar nooit precies.
Waarom blijft het achterhoofd in elk stadium staan?
Het achterhoofd blijft staan omdat de wortels daar ook in het verste stadium geen signaal van DHT ontvangen. Dat is te zien bij mannen in Norwood-stadium 7: het hele bovenhoofd is kaal, maar een band van haar loopt van de ene slaap over het achterhoofd naar de andere. Thuisarts.nl noemt het eindbeeld bij 8 van de 10 mannen van 70 jaar.
Die eigenschap van de haarwortel reist mee. Bij een haartransplantatie worden wortels van het achterhoofd naar voren verplaatst, juist omdat ze daar hun ongevoeligheid houden. Het verklaart ook waarom de rest van het haar na zo’n ingreep gewoon kan blijven uitvallen: de wortels rondom de verplaatste haren blijven even gevoelig als ze waren. Wat dat betekent voor de keuze tussen behandelen en transplanteren, staat in Kan haar terugkomen na kaal worden?.
Wat zegt de plek over hoe ver je bent?
De plek zegt waar je gevoelige wortels zitten, niet hoe snel het gaat. Twee mannen met dezelfde inhammen op hun 25e kunnen op hun 40e heel verschillend staan. Thuisarts.nl schrijft dat kaal worden “vaak jaren” duurt. Wie wil weten waar hij staat, kijkt beter naar het verloop dan naar één momentopname.
Zo doe je zelf een eerste check:
- Maak een foto van je kruin van bovenaf, in daglicht, zonder gel.
- Maak een foto van je haarlijn recht van voren, haar naar achteren.
- Vergelijk met een foto van twee tot drie jaar geleden op dezelfde plekken.
- Let op de zijkanten en het achterhoofd: zijn die ook dunner, dan is het mogelijk geen erfelijke haaruitval en is de huisarts de eerste stap.
- Zet de foto’s naast de stadia in Haaruitval op je 30e: waar sta je op de Norwood-schaal?.
Blijven de zijkanten en het achterhoofd vol terwijl kruin of slapen dunner worden, dan is dat het klassieke beeld van erfelijke haaruitval. Wat je daar wel en niet aan kunt doen, staat op een rij in de vergelijking van de vijf behandelingen.
Veelgestelde vragen
Waarom blijft het haar op mijn achterhoofd wel zitten?
De haarwortels op het achterhoofd hebben minder androgeenreceptoren en minder 5-alfa-reductase dan de wortels voorop en op de kruin. Ze reageren daardoor nauwelijks op DHT en blijven groeien, vaak tot op hoge leeftijd.
Krijgt mijn kruin evenveel DHT als mijn achterhoofd?
Het hormoon circuleert door het hele lichaam, dus het aanbod is overal ongeveer gelijk. Het verschil zit in de haarwortel zelf: hoeveel receptoren hij heeft en hoeveel DHT hij ter plekke aanmaakt.
Is kaal worden op de kruin iets anders dan inhammen krijgen?
Nee, het is dezelfde erfelijke haaruitval (androgenetische alopecia). Bij de een begint het bij de slapen, bij de ander op de kruin, en bij veel mannen op allebei. De Norwood-schaal beschrijft die patronen.
Kan de kaalheid zich ook naar mijn achterhoofd uitbreiden?
Bij erfelijke haaruitval meestal niet. De hoefijzervormige rand van haar boven de oren en op het achterhoofd blijft in de regel staan, ook in de verste Norwood-stadia.
Bronnen
- Sawaya ME, Price VH (1997). Different levels of 5alpha-reductase type I and II, aromatase, and androgen receptor in hair follicles of women and men with androgenetic alopecia. J Invest Dermatol.
- Hillmer AM et al. (2005). Genetic variation in the human androgen receptor gene is the major determinant of common early-onset androgenetic alopecia. Am J Hum Genet.
- Norwood OT (1975). Male pattern baldness: classification and incidence. South Med J.
- Whiting DA (2001). Possible mechanisms of miniaturization during androgenetic alopecia or pattern hair loss. J Am Acad Dermatol.
- Nederlands Huisartsen Genootschap: NHG-Behandelrichtlijn Alopecia
- Thuisarts.nl: Ik word kaal (man)
